De 27ste Vermaning van Franciscus

door Sigismund Verheij:

Beschouwing bij het 25-jarig jubileum van de Orientatiebeweging

1. Vermaningen

1.a

Onder de geschriften van Franciscus nemen de Vermaningen een bijzondere plaats in. Het is een verzameling van 28 meestal zeer korte teksten. Vaak is het maar een enkele zin als toepassing van een vers uit het evangelie. Een soort spreuken zoals we die kennen uit het Oude Testament, maar ook wel van dagkalenders of van tegeltjes die mensen in hun huis ophangen. Het zijn woorden die mensen voor ogen willen houden en telkens weer ter harte willen nemen.

1.b

Het woord 'Vermaning' klinkt in Nederlandse oren dikwijls moraliserend en hinderlijk schoolmeeesterachtig. De Latijnse benaming 'Admonitio' betekent echer op de eerste plaats iets 'ter herinnering' en daarna ook wel 'waarschuwing' of eventueel 'terechtwijzing'.
Dikwijls wordt gezegd dat de Vermaningen van Franciscus streng zijn. Deze opvatting sluit niet aan bij de inhoud. Nooit zeggen de Vermaningen dat wij iets moeten of iets niet mogen of dat wij iets verkeerd doen. Typisch zijn uitdrukkingen als "Zo kun je weten of een dienaar van God deel heeft aan de Geest van de Heer..." en "... zoveel geduld en nederigheid als hij dan heeft, zoveel heeft hij en meer niet".

1.c

De Vermaningen zijn woorden aan de hand waarvan wij veeleisend of ook afkeurend en veroordelend zijn maar die kunnen toetsen hoe het in feite met ons staat. Als wij de werkelijkheid niet onder ogen willen of durven zien kan het zijn dat wij de spiegel als streng en veeleisend ervaren maar in feite kiezen wij dan voor een schijnwerkelijkheid. De onthulling van de feitelijkheid kan natuurlijk wel pijnlijk zijn maar een realistisch zicht op de werkelijkheid hebben wij absoluut nodig als voorwaarde voor onze genezing of voor het bereiken van onze bestemming. Niet toevallig keren het woord "echt" en aanverwante uitdrukkingen telkens weer in de Vermaningen terug want echtheid is het kernthema van deze "Woorden van heil".

2. De 27-ste Vermaning: Over deugden en ondeugden

2.a

In de serie van 28 Vermaningen is de 27-ste opvallend apart van stijl. Het is een soort gedicht, wat in het oorspronkelijke Latijn duidelijker blijkt uit het ritme en de rijmwoorden. Het zijn zes sterk op elkaar gelijkende strofen waarvan de eerste luidt: "Waar liefde is en wijsheid, daar is geen vrees en geen onwetendheid". Het Latijnse: "Ubi caritas est et sapientia, ibi ..." herinnert aan de liturgie van de Voetwassing op Witte Donderdag: "Ubi caritas et amor, ibi Deus est" (Waar liefde is en genegenheid, daar is God). Maar het tweede deel van het vers in de Vermaning zegt dan juist wat er niet is: "Waar liefde is en wijsheid, daar is geen vrees en geen onwetendheid". De woorden in vers 1: "Waar liefde is, daar is geen vrees" doen denken aan 1 Joh 4,18: "De volmaakte liefde drijft de vrees uit".

2.b

De hele 27-ste Vermaning heeft een zekere verwantschap met de Lofzang op de deugden van Franciscus. In het eerste deel van die Lofzang treden de deugden op in drie paren, gepersonifieerd als zusters, met "koningin wijsheid" aan het hoofd. In het tweede deel worden de zes genoemde deugden als een verdelgende kracht tegenover de ondeugden geplaatst. Vanuit die Lofzang op de deugden wordt duidelijk dat het ook in de 27-ste Vermaning over deugden en ondeugden gaat; het opschrift van de Vermaning in een oud document is ook: "De deugd die de ondeugd verdrijft". Uit die Lofzang wordt tevens duidelijk dat Franciscus wanneer hij over "deugden" spreekt niet denkt aan onze goede kwaliteiten of morele prestaties.
In het Latijn staat er het woord "virtus" dat zowel kracht als deugd betekent. Deugd is een kracht van God die in ons werkzaam is: "Allerheiligste deugden, de Heer van wie gij voortkomt en uitgaat, moge u allen behouden". Voor "behouden" staat in het Latijn "salvare", dat in het christelijk spraakgebruik met name ook gebruikt wordt voor "bewerken van het heil". Deze in ons werkzame krachten van God bestrijden volgens de Lofzang "de ondeugden en zonden", "de satan en al zijn boosaardigheden", "de duivelse bekoringen", "de wijsheid van de wereld en de wijsheid van het lichaam", "de begerigheid en hebzucht en de zorgen van deze wereld". Het Latijnse woord "confundere" is vertaald met "ontmaskeren" maar betekent op de eerste plaats "vermengen", "verwarren", "bestrijden", "beschamen". Omdat Franciscus spreekt over de werkzame krachten van God in ons gaat het bij deze "deugden" uiteraard niet over onze eigen deugdbeoefening en onze prestaties. Daarom kan deze Vermaning ook niet als veeleisend en streng verstaan worden. De tekst wijst ons in tegendeel op een heilzame mogelijkheid die ons liefdevol aangeboden wordt.

2.c

Temidden van de zes verzen heeft het 5-de vers een opvallend afwijkende vorm. Er wordt geen deugdenpaar genoemd met er tegenover een paar "ondeugden", maar in de eerste helft staat alleen de "vrees van de Heer", die er is om over zijn erf te waken. De "vrees" is hier duidelijk bedoeld als positieve kracht van God, terwijl in het eerste vers de vrees genoemd werd als de ondeugd die door de liefde verdreven wordt. In de Psalmen en in andere Bijbelboeken (althans in de Latijnse vertaling waarin Franciscus die las) wordt herhaaldelijk de "timor Domini" genoemd, maar dan gaat het altijd over ons ontzag voor de Heer. Er zijn blijkbaar twee soorten vrees. De ene zou je "angst" kunnen noemen omdat daardoor de mensen bang en onvrij gemaakt worden. De andere vrees zou als "eerbiedige schroom" of "heilig ontzag" gezien kunnen worden, zoals bedoeld is in de Nederlandse uitdrukking "godvrezend" of in het Duitse woord "Ehrfurcht". In het Latijn staat in beide gevallen hetzelfde woord "timor" maar uit het verband of door het bijvoeglijk naamwoord wordt het verschil in betekenis duidelijk. In enkele teksten van Franciscus komt zelfs de uitdrukking "goddelijke vrees" voor en natuurlijk niet over onze houding ten opzichte van God maar is die vrees in de zin van eerbiedige schroom of heilig ontzag een eigenschap van God zelf. Dat is ook de betekenis van "de vrees van de Heer" in het 5-de vers van de 27-ste Vermaning: De eerbiedige schroom van God die zorgvuldig zijn erf bewaakt. Gods liefdevolle waakzaamheid zorgt ervoor dat zijn terrein beveiligd is tegenover een vijand die dreigt binnen te dringen. Er wordt benadrukt dat die vijand geen plaats kan hebben om binnen te dringen. De afweer bestaat niet uit een sterke bewaker aan de deur en zit ook niet in een solide ommuring. De vijand kan niet binnendringen omdat daar geen plaats is, want "de vrees van de Heer" heeft daar zijn verblijf gemaakt en zodoende is het 'erf van de Heer' al bewoond en zodoende ook beveiligd.

3. Inwoning van God

Een passage uit de Regel van 1221 is woordelijk en inhoudelijk met de 27-ste Vermaning verwant. Daar is sprake van "ons hart als een rustplaats en een woning voor God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest". Daaraan voorafgaand spreekt hij over de satan die er op uit is dat de mens zijn verstand en zijn hart niet op God gericht houdt" ... en hij is er op uit door tijdelijke zaken en zorgen het hart van de mens te verblinden en daarin te gaan wonen". Zowel in dit gedeelte van de Regel als in de 27-ste Vermaning, vers 5 zien wij een toespeling op de passage van het evangelie over de boze geest die uitgedreven is en probeert terug te keren om weer zijn intrek te nemen in het hart van de mens,' In de Vermaning wordt daarbij geruststellend verwezen naar "de vrees van de Heer" die er is om over zijn erf te waken zodat de vijand niet kan binnendringen. Een andere passage van de Regel van 1221 spreekt over "de godsvrucht en heiligheid van het uiterlijk toon voor de mensen" ; en omgekeerd over "de godsvrucht en heiligheid in de innerlijkheid van de Geest". De tekst vervolgt: "De Geest van de Heer... legt zich toe op de deemoed en het geduld en op de zuivere en eenvoudige en echte vrede van de Geest. En steeds verlangt hij boven alles naar de goddelijke vrees en de goddelijke wijsheid en de goddelijke liefde van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. En laten wij al het goede teruggeven aan de Heer ... van Wie al het goede voortkomt".
De Brief aan de gelovigen spreekt nog duidelijker overde inwoning van God in de gelovigen. "De geest van de Heer zal op hen rusten en Hij zal in hen zijn rustplaats en woning maken. En zij zullen kinderen zijn van e hemelse vader wiens werken zij doen. en zij zijn bruiden, broeders en moeders van onze Heer Jezus Christus."
En verderop in deze brief: "Allen die niet in boetvaardigheid leven ... zijn bedrogen door de duivel wiens kinderen zij zijn en wiens werken zij doen ... De geestelijke wijsheid hebben zij niet, want zij hebben de Zoon van God niet in zich, die de ware wijsheid van de Vader is".

4. Aspecten van Gods werkzame aanwezigheid

De Lofzang op de allerhoogste God kan ons duidelijk maken dat de 27-ste Vermaning inderdaad spreekt over de inwoning van God in ons hart. In deze Lofzang bezingt Franciscus namelijk God onder een groot aantal namen, waarvan er een aantal in deze Vermaning terugkeren, namelijk: "... Gij zijt de genegenheid, de liefde; Gij zijt de wijsheid; Gij zijt de deemoed; Gij zijt het geduld; ... Gij zijt de veiligheid; Gij zijt de rust; Gij zijt de vreugde en blijdschap; ... Gij zijt de matigheid; ... Gij zijt de beschermer; Gij zijt onze waker en verdediger, ... Gij zijt onze liefde". De in de 27-ste Vermaning genoemde "deugden" kunnen in het licht van deze manier van spreken verstaan worden als namen van God, als aanduidingen van verschillende aspecten van zijn werkzame aanwezigheid in ons.

4.a: Vers 1

De liefde, die God is, staat tegenover de angstige vrees. De verwijzing naar 1 Joh 4,18 is eerder al ter sprake gekomen. Inhoudelijk is er ook verband met Joh 3,16-21 over de liefde van God die ons niet wil oordelen maar die ons leven wil redden. Daarom hoeven wij niet bang te zijn om naar het licht gaan, ook niet als onze daden slecht zijn. "Wie de waarheid doet, gaat naar het licht, opdat van zijn daden moge blijken dat zij in God gedaan zijn". God houdt van ons, niet omdat wij zo goed en beminnelijk zijn maar omdat Hij liefde is. Als wij ons met onze behoefte aan genezing en vergeving aan Hem toevertrouwen (m.a.w. ook met onze slechte daden naar het licht gaan) blijkt ook aan de hand van dit pijnlijke en beschamende aspect van ons leven (de waarheid) hoe wij in Gods liefde bestaan en daar bevrijding vinden. De wijsheid, die God is, staat tegenover onwetendheid.

4.b: Vers 6

Het laatste vers correspondeert aan het eerste; samen geven ze het omvattende thema van de hele Vermaning aan. Barmhartigheid is de liefde van God met betrekking tot onze behoeftigheid omdat zijn liefde "hart" heeft voor onze "erbarmelijkheid". De barmhartigheid, die God is, staat in dij vers tegenover veeleisendheid. Barmhartigheid is de liefde die God ons schenkt niet op grond van onze verdiensten en goede eigenschappen maar omdat Hij goed is. Die onverdiende liefde doet ons goed. Als wij waarachtig en zonder angstige vrees die ruimte van Gods liefde durven binnengaan, vervalt de noodzaak en de aandrang om onszelf je overvragen. Wij hoeven niet aan voorwaarden je vol doen en hoeven ons niet beter voor je doen dan wij zijn. Vanuit deze houding kan in ons ook de liefdevolle aanvaarding groeien ten opzichte van anderen mensen die in onze ogen tekort schieten of zelfs ons kwetsen. Wij hoeven dan ten opzichte van onszelf en van anderen geen verwachtingen te koesteren en aan hen geen eisen te stellen die niet bij ons passen. Onze veeleisendheid wordt van binnenuit ontkracht.
Het onderscheidingsvermogen, de tweede deugd in dit vers, heeft te maken met de manier waarop wij naar onszelf en naar anderen kijken, namelijk zoals God naar ons omziet. Het gaat bijvoorbeeld om het onderscheid tussen de afkeurenswaardige zonde en de hulpbehoevende zondaar." En het besef dat wij ons het goede dat wij doen niet kunnen toe-eigenen en ons daar niet op kunnen beroemen omdat God dat alles in ons bewerkt. Het gaat dan ook om het onderscheid tussen echte wijsheid en "wereldse" wijsheid, en alle andere echte en schijnwaarden. Wie niet in deze ruimte van de barmhartigheid leeft en dus het daarmee samenhangend onderscheid niet kan maken, vervalt gemakkelijk tot verharding. Dit leidt tot krampachtig gedrag, tot starre standpunten en praktijken en tot een eigengemaakte veiligheid, omdat dan niet 'de vrees van de Heer het erf bewaakt'.

4.c: Vers 4

De rust, die God is, heeft te maken met de vaste plek waar een mens zijn houvast vindt. Dat komt neer op de bestemming van zijn verlangen en zijn behoefte of, anders gezegd, op datgene waar zijn oriëntatie op gericht staat. In die rust is er geen plaats voor bezorgdheid, dat wil zeggen, voor de bekommernis en het zich druk maken over de vele dingen van ons aardse bestaan, alsof het allemaal van onszelf afhing. De bezinning, die God is, betreft de waakzame, eerbiedige aandacht, die zich richt op datgene waar het echt op aan komt. Het Latijnse woord voor bezinning, "meditatie", zal in dit verband ook in Nederlandse oren niet onbekend klinken, maar ook hier geldt dat wijsheid en onderscheiding nodig is om te weten waar die meditatieve aandacht zich op moet richten. Tegenover de bezinning staat het ronddwalen ("vagatio"), d.w.z. de beweging van onze aandacht en van ons verlangen zonder richting of oriëntatiepunt. Vermeldenswaard is dat Franciscus dit ronddwalen op andere plaatsen in zijn geschriften in verband brengt met wat hij onder gehoorzaamheid verstaat. Of anders gezegd: Gehoorzaamheid staat in functie van de bestemming van ons leven; en de dienst van de verantwoordelijke broeder is op deze bestemming gericht.
Ter illustratie van wat hierboven over bezinning en ronddwalen gezegd is wijs ik op de passage in het evangelie van Lucas over Martha die "in beslag genomen werd door de drukte van het bedienen" en "zich bezorgd druk maakte over vele dingen". Dat is het "vele" dat geen samenhang toont en geen voldoening schenkt; het is "vervelend" omdat het nergens toe leidt maar alleen afleiding schenkt en verstrooit. Daarnaast gaat het daar over Maria die zich in bezinning richt op "het beste deel" of "het ene ding dat nodig is"; daar is ze met haar hart bij. Dit "ene" is niet één aandachtspunt met uitsluiting van al het andere, maar het is het ene concentratiepunt waarin de vele dingen samenhang vertonen. In de beleving van Maria gaat over "de dingen die op God betrekking hebben".

4.d: Vers 2

Het geduld, dat God is, laat zich gemakkelijk verduidelijken aan de hand van wat hierboven gezegd is over de liefde en de barmhartigheid, en bijvoorbeeld ook over de rust. Daar staat de woede of toorn tegenover, d.w.z. de gewelddadige, dwingende kracht die voortkomt uit eigenbelang of een eigenzinnig en eigenmachtig oordelen en bepalen wat zou moeten gebeuren. Ter illustratie wijs ik op de passage in het evangelie van Lucas over de vader van de verloren zoon. Het thema keert ook dikwijls terug in de Psalmen, bijvoorbeeld met het refrein: "Tot in eeuwigheid is zijn genade". Dat is het refrein van de hele heilsgeschiedenis. Er is in de Bijbel ook sprake van de toorn van God, soms schokkend hard. Maar dat gaat duidelijk meer over de goede vader die zijn kind tuchtigt om het op het goede spoor te brengen.
De deemoed, die God is, toont ons het beeld van onze God die niet een tirannieke dwingeland is maar die in zijn waakzame en eerbiedige zorg bezig is met ons leven. Tegenover deze deemoed plaatst Franciscus de opwinding. Dat betrekent: een reactie die gebaseerd is op een misplaatst verantwoordelijkheidsbesef, omdat je dan je eigen inzichten en maatstaven als bepalende norm verheven hebt. Een illustratie van wat Franciscus hier zegt vinden wij bijvoorbeeld in het evangelie van Matteus over het zevenmaal zeventigmaal vergeven. Of ook in de Brief aan een minister over de broeder "die gezondigd heeft zoveel hij maar kan" en die "aan je ogen heeft gezien dat hij niet zonder jouw barmhartigheid hoeft weg te gaan". "En als hij daarna duizend keer onder je ogen zou zondigen, zul je hem meer liefhebben dan mij om hem zo tot de Heer te brengen".

4.a: Vers 3

De armoede, die God is, wordt uitdrukkelijk met vreugde verbonden. Het gaat niet over een verschralende ontbering en verkommering maar over een onbevangen openheid om mee te delen en te ontvangen. Het is een levenshouding die een volwassen vrijheid veronderstelt, zonder begerigheid en zonder hebzucht. In het leven van Clara kunnen wij een beeld krijgen van wat hier bedoeld wordt. Haar vergaande armoede is in haar beleving niet negatief of streng en niet veeleisend. De leegte die zij in haar leven nastreeft is juist de openheid en ontvankelijkheid voor de vervulling met een rijkdom die zij door niets anders wil laten verhinderen of vertroebelen. Zij schrijft opvallend veel over genieten, en wel niet betrekking tot een vervulling die niet alleen voor de toekomst beloofd is, maar die zij wel degelijk ook al in dit leven ervaart. En zij schrijft daar onbekommerd over in beelden van aardse en lijfelijke verzadiging: in een feestmaaltijd, in mooie kleren en sieraden, in intense genegenheid en intieme liefkozing. Daarnaast gebruikt zij ook harde beelden van krachtdadig vechten. Maar al deze aardse en dus beperkte en vergankelijke beelden staan niet in plaats van wat haar hart totaal en definitief vervult en waar zij met heel haar leven op gericht staat.

Zo gezien kan de 27-ste Vermaning dienen ter oriëntering van onze levensweg naar onze bestemming.


Sigismund Verheij, franciscaan
Den Bosch, mei 2003

of naar onze homepage