Het inwendige gebed bij de eerste kapucijnen volgens de constituties van 1526

1. De geest van de Constituties

Reeds in 1965 schreef de kapucijn Optatus, eerbiediger gedachtenis, over de Reformatie van de kapucijnen: "Wat vooral opvalt in hun oudste wetgeving (uit 1536) is niet zozeer hun trouw aan de letter van het Evangelie en van hun Regel, maar hun uitdrukkelijke bezorgdheid deze ‘letterlijke’ onderhouding te bezielen met de Geest van Christus, zoals deze ons tegemoet komt in het Evangelie." Het gaat echt om een ‘spirituele’ onderhouding en beleving, om een door de Geest geraakte nieuwe beweging van minderbroeders. De Constituties van 1536 zinderen van begin tot eind van deze levenwekkende Geest. In de inleiding lezen we dat de Constituties bewust werden samengesteld om de broeders in bescherming te nemen tegen ‘alle vijanden van de levenwekkende Geest van onze Heer Jezus Christus’. (1)

Waar deze Constituties spreken over de wetenschappelijke vorming van de fraters studenten, worden dezen aangespoord in hun studie de verlichte en brandende liefde van Christus te zoeken. Zij mogen nooit zozeer in de studie opgaan dat zij daardoor de heilige studie van het gebed verwaarlozen. Dan zouden zij uitdrukkelijk ingaan tegen de bedoeling van Franciscus, die niet wilde dat ooit omwille van enige studie het heilig gebed werd nagelaten.

De Constituties vervolgen:

Om beter de Geest van Christus te kunnen bezitten, spannen zowel lectoren als studenten zich in meer werk te maken van de ‘spirituele’ studie dan van de ‘literaire’. Zij hebben meer profijt van de studie naarmate zij meer zoeken naar de geest dan naar de letter. Immers zonder de geest dringt men nooit door tot de echte zin. Men blijft zich ophouden bij de simpele letter die verblindt en doodt. (nr. 123)

2.De Geest van gebed niet uitdoven

Hier stellen de eerste kapucijnen zich krachtig op het standpunt dat Franciscus zelf innam. In zijn brief aan zijn eerste lector Antonius schreef hij:

Aan broeder Antonius, mijn bisschop, wenst broeder Franciscus heil. Ik keur goed dat gij de heilige theologie onderwijst aan de broeders, op voorwaarde dat gij bij dit onderricht de Geest van gebed en toewijding niet uitdooft, zoals in de Regel staat. (2)

In de Regel staat inderdaad:

De broeders aan wie de Heer de genade heeft gegeven om te arbeiden, zullen arbeiden in trouw en toewijding. En wel zo, dat zij het nietsdoen, de vijand van de ziel, buitensluiten en de Geest van heilig gebed en toewijding niet uitdoven. Want daaraan moet het overige van deze wereld dienstbaar zijn.(3)

Dit betekent eerst en vooral dat het leven van de minderbroeder als bijzonder kenmerk heeft: de Geest van heilig gebed en toewijding.

De Geest niet uitdoven

Franciscus wijst hier indirect ook op het risico dat we lopen. Wij kunnen leven, studeren, arbeiden en zelfs apostolaat beoefenen op een manier dat we de heilige Geest uitdoven.
In beide bovengenoemde teksten zinspeelt Franciscus op 1 Tessalonicensen 5,19. Daar lezen we: "Blust de Geest niet uit". De Geest staat hier met een hoofdletter. Dit geldt dus ook voor de teksten van Franciscus. De minderbroeder behoort dus altijd uit de heilige Geest te leven.

Ook het begrip 'toewijding', dat Franciscus hier gebruikt, heeft een andere betekenis dan wij gewend zijn. Het gaat hier niet zozeer om toewijding aan het werk, om vlijt en inzet, maar om toewijding aan de Heer. In de ordening van het minderbroedersleven zijn die toewijding en het gebed allesbepalend, zo lees ik in een voetnoot van ‘De Geschriften van Franciscus’. (4) Het gebed en het beschouwend leven namen derhalve zowel bij Franciscus zelf, als ook bij de eerste kapucijnen, ook in de Nederlanden, een bevoorrechte plaats in, aldus concludeerde Optatus reeds in 1948. (5)

3. De waarde van het inwendig gebed bij de eerste generaties kapucijnen.

3.1

Waar de Constituties van 1536 spreken over het bidden van het Goddelijk Officie, maken zij terloops een veelzeggende opmerking, waaruit blijkt dat het inwendig gebed door hen zeer waardevol werd geacht. In nr. 42 lezen we: "Geen ander officie wordt in het koor eraan toegevoegd, behalve dat van Onze Lieve Vrouw, opdat de broeders meer tijd ter beschikking hebben voor het persoonlijk en inwendig gebed, dat zoveel vruchtbaarder is dan het mondgebed."

Geheel in de lijn van deze waardering en voorkeur voor het inwendig gebed is dan ook het feit dat zij in hun Constituties uitdrukkelijk twee uren van de dagorde vastlegden voor het gezamenlijk inwendig gebed. Zij maakten daarbij de zeer laconieke, maar veelzeggende opmerking dat deze regeling was bedoeld voor de lauwe broeders, want de echte geestelijke minderbroeder 'bidt altijd'. Hier volgt de letterlijke tekst uit de Constituties:

Omdat het gebed de geestelijke leermeester is en opdat de geest van toewijding in de broeders niet verflauwe, zoals de serafijnse Vader verlangde, bepalen wij, hoewel de echte geestelijke minderbroeder altijd bidt, dat niettemin vanwege de lauwe broeders twee bijzondere uren worden aangewezen. (nr. 41)

3.2

Uit de majestueuze beginselverklaring van de kapucijnen-reformatie, in het begin van hun Constituties, wordt duidelijk welke onderwerpen centraal stonden in de geestelijke lezing en het inwendig gebed van de broeders.
Het evangelische leven en het evangelie lezen

Wij lezen daar:

Allereerst verklaren wij dat de evangelische leer door de allerliefste Zoon Gods vanuit de hemel tot ons is gebracht. Deze evangelische leer, geheel puur, bovennatuurlijk, allervolmaaktst en goddelijk, is door Hem zelf aangekondigd en onderricht door zijn leven en door zijn woord. Zelfs werd zij als authentiek bevestigd door God de Vader, in de rivier de Jordaan en op de berg Tabor, toen Hij sprak: 'Deze is mijn veelgeliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb. Luistert naar Hem.

Alleen deze evangelische leer wijst ons regelrecht de weg naar God. Als alle mensen verplicht zijn deze weg te gaan, dan des te meer wij broeders.

De heilige Franciscus zegt immers aan het begin en aan het eind van zijn Regel, dat wij het heilig Evangelie behoren te onderhouden. De Regel is trouwens niets anders dan het merg van het Evangelie, een kleine spiegel, waarin de evangelische volmaaktheid schittert.
Ook in zijn Testament zegt Franciscus dat hem is geopenbaard, dat hij zijn leven gelijkvormig moet maken aan het heilig Evangelie. ‘Daarom zullen de broeders de leer en het leven van onze Verlosser Jezus Christus altijd voor de ogen van hun geest hebben.’

En opdat zij het heilig Evangelie in hun hart dragen..., bepalen we, uit eerbied jegens de Allerhoogste Drievuldigheid, dat in ieder huis drie keer per jaar de vier Evangeliën worden gelezen, namelijk elke maand één Evangelie. (nr. 1)

Lezen van de Regel en de bijbel
Behalve de dagelijkse lezing van de Evangelies en de wekelijkse lezing van de Regel, wordt er voor de broeders een tekst gelezen, die hen stimuleert om de gekruisigde Christus te volgen (nr.2) "Ook behoren de broeders altijd hun best te doen over God te spreken. Dit helpt hen zeer in hun harten van liefde jegens Hem te ontvlammen.." (nr. 3)
Tevens wordt er bepaald dat de broeders ook persoonlijk de H. Schrift lezen, met commentaar van heilige en vrome leraren, met als motivatie, dat "...de vlammen van de goddelijke liefde ontspringen aan het licht van de goddelijke dingen". (nr. 4)
Dit vuur en deze verlichtingen liggen ook binnen het bereik van eenvoudige en ongeletterde broeders, want de goddelijke wijsheid is ons in Christus menselijk nabij gekomen. Zij is beslist niet uitsluitend voorbehouden aan geleerde broeders. Tussen haakjes: de vele heilige lekenbroeders binnen onze orde zijn hiervan een klinkend bewijs!
De Constituties zeggen het zo:

En hoewel deze oneindige, goddelijke wijsheid mysterieus en hoog is, is zij in Christus onze Verlosser zozeer afgedaald, dat de eenvoudigen en ongeletterden haar kunnen begrijpen, met geen ander middel dan met het zuivere en eenvoudige, het onschuldige en gave oog van het geloof.(nr. 4)

3.3

We zagen dat het Evangelie en Jezus Christus zelf centraal stonden in het gebedsleven en in de geestelijke lezing van de eerste kapucijnen. Het ligt dan ook voor de hand dat het Evangelie en de persoon van Jezus de hoofdonderwerpen vormden in hun prediking. Hun keuze in dezen was heel bewust en radicaal. Zo lezen we in de Constituties:

Om daarom de norm en de regel, waaraan de predikanten zich te houden hebben, hun beter op het hart te drukken, opdat zij waardiger deze gekruisigde Christus kunnen verkondigen, het Rijk Gods preken en de bekering en het heil van de zielen vurig bewerken, bepalen wij en leggen wij op, dat zij in hun preken de heilige Schrift gebruiken, vooral het Nieuwe Testament en bovenal het heilig Evangelie, opdat wij als evangelische predikanten ook het volk evangelisch maken. Dit standpunt herhalen wij hier en verscherpen het in zekere zin. (nr. 117)

Preken is: Jezus aan het woord laten komen
Ook komt in deze Constituties heel helder naar voren, dat preken voor de kapucijnen niets anders was dan Christus zelf, die zij in hun inwendig gebed hadden ontmoet, in hen aan het woord te laten komen.

Verfijnde, gezochte en theatrale woorden passen niet bij de naakte en nederige Gekruisigde, maar naakte, zuivere, eenvoudige, nederige, heldere, doch niettemin goddelijke, vurige woorden en vol liefde, naar het voorbeeld van Paulus, het uitverkoren vat, die niet preekte met verhevenheid van menselijke taal en welsprekendheid, maar in de kracht van de Geest. Daarom vermanen wij de predikanten de gezegende Christus in hun hart te prenten en Hem vredig bezit van zich te laten nemen. Hij is het die, in de overvloed van liefde, in hen spreekt, niet alleen met woorden, maar veeleer door werken, naar het voorbeeld van Paulus, de leraar der heidenen. Die verstoutte zich niet aan anderen iets te preken, dat Christus niet eerst in hem had uitgewerkt. Zo onderricht ons ook Christus, de volmaakte leermeester, niet alleen met zijn leer, maar ook met zijn werken. Zij zijn groot in het Rijk der hemelen, die eerst doen, wat zij vervolgens aan anderen leren en preken. (nr. 112)

De predikanten behoren hun verkondiging te laten voeden en bezielen door hun ontmoetingen met de Heer in hun gebedsleven:

En wanneer zij, door te overvloedige omgang met de mensen in de wereld, de geest in zich voelen afnemen, keren zij terug naar de eenzaamheid en blijven er, totdat zij, vervuld van God, door de heilige Geest opnieuw worden aangezet en bewogen de goddelijke genaden over de wereld te verspreiden. En zo, nu eens het leven van Marta leidend en dan weer het leven van Maria, volgen zij het gemengde leven (het 'vita mixta') van Christus, die na zijn gebed op de berg afdaalde naar de tempel om daar te preken. Ja, rechtstreeks is Hij van de hemel nedergedaald op de aarde om de mensen te redden. (nr. 114)

En even verder lezen we:

Iemand die Christus, het boek des levens, niet kan lezen, mist de leer, die hij behoort te preken. Daarom moeten predikanten niet veel boeken met zich meeslepen, want in Christus kan men alles vinden.(nr. 116)

Waar de Constituties over de prediking van de broeders spreken, benadrukken zij telkens de beïnvloeding en bevruchting van hun prediking door hun gebedsleven. Zo lezen wij nog ten overvloede:

En opdat de broeders, voor anderen prekend, niet verworpen worden, verlaten zij zo nu en dan de drukte van het volk en bestijgen met de allerliefste Verlosser de berg van gebed en beschouwing en trachten zich daar als serafijnen te laten opladen door de goddelijke liefde. Zelf warm geworden, kunnen zij dan anderen warm maken. (nr. 120)

4. Hoe beoefenden de eerste kapucijnen het inwendig gebed?

4.1

Een eerste kernachtige typering hiervan vinden we in het gebed, dat volgens de oudste Constituties (nr. 125) de fraters studenten vóór de les moesten bidden. - Trouwens, velen van ons hebben dit gebed in onze studietijd ook nog gebeden, aan het begin van onze lessen. -
Daarin baden wij dan: "Moge ik Je in deze les evenzeer beminnen als kennen, want ik wil Je niet kennen tenzij om Je te beminnen" ("in sancta lectione tantum te diligere quantum te cognoscere quia nolo te cognoscere nisi ut te diligam, Domine Deus Creator meus. Amen.").
Hun inwendig gebed was derhalve helemaal gericht op: God liefhebben, groeien in liefde jegens Hem.

4.2

De Constituties beschrijven dit inwendig bidden op een uiterst eenvoudige, maar trefzekere wijze:

En de broeders brengen zich te binnen, dat bidden niets anders is dan met het hart spreken tot God. Daarom bidt hij niet, die alleen met de mond tot God spreekt. Daarom doet ieder zijn best inwendig te bidden en, volgens de leer van Christus, de beste Leermeester, de eeuwige Vader in geest en waarheid te aanbidden, er ijverig voor zorgend de geest te verlichten en de genegenheid te ontbranden, meer dan woorden te formuleren. (nr. 42)

Onze Zwitserse medebroeder en groot kenner van de kapucijnenspiritualiteit, Oktavian Schmucki, noemt deze ontwapenende simpele beschrijving van het inwendig gebed een juweeltje in de geestelijke literatuur. (6)

4.3.

Je hart laten spreken tot God, dat is inwendig gebed.
Als de Constituties elders terloops zeggen, dat een authentieke spirituele minderbroeder ‘altijd bidt’ (nr. 41), dan opent zich voor ons een innerlijk panorama: de indrukwekkende inwendige belevingswereld van de eerste kapucijnen.

We weten dat de eerste kapucijnen grote waarde hechtten aan stilte (nr. 44-45), teruggetrokkenheid (nr. 77), bezitloosheid, mededeelzaamheid en solidariteit met nog armere mensen (nr. 67; nrs. 69-76; 80-87; 144; 57-62), onthouding en soberheid in eten, drinken en kleding, en anderzijds fijngevoelige zorg voor de zieke broeders, voor slachtoffers van epidemieën, en het bieden van hartelijke gastvrijheid aan vreemdelingen en zwervers (nrs. 50-55; 21-28; 88-89).

Deze zeer radicale Evangelie-beleving werd ongetwijfeld gedragen en gevoed door een oprecht en goed ontwikkeld gebedsleven, een eerlijk met heel je hart bij God zijn. In de Constituties beluisteren we dit ook:

... wij vermanen al onze broeders in de liefde van Christus,dat zij bij alles wat zij doen het heilig Evangelie, de aan God beloofde Regel, de heilige en lofwaardige gewoonten en de heilige voorbeelden van de heiligen voor ogen houden, al hun gedachten, woorden en werken richtend op de eer en glorie van God en het heil van de naaste. De heilige Geest zal hen in alles onderrichten. (nr. 141)

Eenzelfde degelijke religieuze bewogenheid is de grondtoon van heel deze eerste Constituties:

Gedachtig dat ons laatste doel God is, naar wie iedereen moet streven en verlangen en moet trachten zich in Hem om te vormen, vermanen wij alle broeders hun gedachten op dit doel te richten en al onze bedoelingen en verlangens met alle mogelijke aandrang van de liefde daarheen te wenden, opdat wij ons met heel ons hart, verstand en ziel, met al onze krachten en deugden in een daadwerkelijke, aanhoudende, innige en zuivere liefde verenigen met onze algoede Vader. (nr. 63)

4.4

Die eerste generaties kapucijnen waren gebedsmensen. Dat gaf aan hun harde leven warmte en menselijke intimiteit met God en met elkaar. Het maakte hen krachtig en ondernemend. Ze bouwden zelfs in de buurt van hun huizen een of twee afgelegen kluisjes, waarin broeders, die door de oversten daartoe geschikt geoordeeld werden, zich mochten terugtrekken om enkel met God te leven (nr .79)

Wij weten dat zij op de verschillende momenten van de dag korte gebeden baden en herhaalden, ook tijdens hun bezigheden, met de mond of, meer verinnerlijkt, met het hart, waardoor zij hun verbondenheid met God in stand hielden en bewust beleefden. Er is sprake van een levendige affectieve betrokkenheid op Jezus, op God, op de mensen: een ontroerend liefdesleven. In deze sfeer moeten wij ook de intense aandacht van deze broeders plaatsen voor het lijden en sterven, voor het kruis van Jezus Christus. Het openbaarde hun Gods onbeperkte goedheid en liefde jegens hen en alle mensen.

4.5

Het oudste gebedstractaatje dat door een kapucijn werd geschreven, draagt de markante naam: "Arte de la unione", de kunst van de goddelijke vereniging. De auteur is Johannes van Fano, Giovanni da Fano. Het verscheen in hetzelfde jaar waarin de oudste Constituties verschenen, waaruit wij zo rijkelijk geput hebben, namelijk in 1536. In dit boekje treffen we reeds de methodiek aan van heel de dag met God verbonden te blijven door het bidden en herhalen van korte, vurige gebeden. En om ons Nederlands zelfbewustzijn wat te versterken, Johannes van Fano is op zijn beurt beïnvloed door de op Nederlandse bodem ontstane Moderne Devotie en door de Nederlandse minderbroeder en mystieke schrijver Hendrik Herp. Aan hen zijn de eerste kapucijnen, met hun voorkeur voor het inwendige en affectieve gebed en vooral de liefdevolle omgang en verbondenheid met God en Jezus Christus, veel verschuldigd.

De methodiek van het aspiratieve gebed of de 'toegheestingen' gedurende de dag vinden we ook bij de kapucijnen in de Nederlanden terug in het veel gedrukte handboekje voor de novicen 'Geestelycke Oeffeninge voor de novitien'. Tegen de achtergrond van het voorgaande weten we nu, dat hierin een veel rijker liefdesleven naar voren komt dan het door de dag vaak zeggen van schietgebedjes doet vermoeden.

4.6

Deze methode en levenswijze van 'altijd bidden', zoals die volgens de Constituties een 'echte geestelijke minderbroeder' eigen behoort te zijn (nr. 41), heeft zeer diepe christelijke wortels. Zij gaat terug op het Jezusgebed, zoals de woestijnvaders dit al praktiseerden. Hun bedoeling was het, het woord van Jezus in praktijk te brengen, dat zij altijd moesten bidden (Lc 18,1).

Zij deden dit door met de mond of innerlijk, met het hart, zonder ophouden het gebed te herhalen: 'Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij'. Zo groeide er in hen een ononderbroken verbonden leven met God.

In het voorgaande zochten wij naar de geheimvolle krachtbron, waaruit de eerste kapucijnen leefden. Wij vermoeden haar gevonden te hebben.
Alles stelden zij in het werk om een stijl en levensklimaat te creëren, waarin hun verbondenheid in liefde met God, Jezus Christus en hun medemensen tot ontwikkeling kwam en zeer vruchtbaar werd.

Bidden was voor hen: met hun hart bij God zijn, bij Jezus Christus, maar ook bij hun medemensen. Hun hart laten spreken tot God en God laten spreken tot hun hart, en van daaruit preken en mensen nabij zijn.
Die liefde van en voor God was hun levensgeheim, de levende bron van hun religieuze vitaliteit.
Zo wordt het verstaanbaar, dat in de zeventiende eeuw ook in de Nederlanden het kapucijnenleven krachtig opbloeide, met opvallend invloedrijke predikanten en oorspronkelijke geestelijke schrijvers en begeleiders. Vakmensen durven zelfs te zeggen dat zij in die tijd een eigen school van markante kapucijnenspiritualiteit vormden. (7)

5. Joannes Evangelista van 's-Hertogenbosch

Onder die oorspronkelijke geestelijke schrijvers moem ik een met name: Joannes Evangelista van 's-Hertogenbosch (1588-1635).
Hij is de eerste en meest oorspronkelijke mystieke schrijver onder de Nederlandse kapucijnen. Hij vervulde als novicenmeester en als geestelijke begeleider van jonggeprofeste medebroeders een zeer belangrijke rol in de religieuze vorming van de jonge Vlaams-Nederlandse provincie in de eerste helft van de zeventiende eeuw.
Zijn boeken zijn in belangrijke mate de schriftelijke neerslag van de lessen in het geestelijk leven die hij aan zijn medebroeders gaf. Hij bood hun degelijke kost. Hij introduceerde hen zorgvuldig in de hoogste beleving van de liefdesvereniging met God.
Zijn hoofdwerk is: Het Rijck Godts inder zielen.... Zoals de titel van dit boek al verraadt, ziet Joannes Evangelista het leven in vereniging met God als het doel en de vervulling van het menselijk bestaan.

Helder en systematisch zet hij uitvoerig de voorwaarden uiteen, waaraan de godzoekende mens moet voldoen om dit doel te kunnen verwerkelijken. Het is de radicale weg van de geestelijke dood, de ontlediging van alles wat niet God is. Deze ontlediging bestaat uit vier delen: allereerst de grondige verloochening van al het geschapene, volmaakte overgave aan God, in pure liefde en naakt geloof.

Vervolgens begeleidt Joannes Evangelista de godzoekende mens op ordelijke en schoolse wijze stap voor stap naar de directe vereniging met God zelf. Na een uitgebreid proces van loutering en verlichting bereikt deze mens de rechtstreekse schouwing en genieting van Gods tegenwoordigheid.

Daarna werkt Joannes Evangelista nauwkeurig uit, zes hoofdstukken lang, hoe de godgenietende mens in zijn leven door de dag, in eenvoudige maar ook in zeer intensieve arbeid, zijn verantwoordelijkheden op zich nemend, de vereniging met God in pure liefde en naakt geloof kan blijven beleven en ervaren.

Hier hebben we niet de tijd om Joannes Evangelista zelf uitvoerig aan het woord te laten. Toch wil ik jullie even iets laten proeven van de kundige en trefzekere wijze waarop hij de diepste verbondenheid van de mens met God beschrijft.

Als de godzoekende mens uiteindelijk de genieting van Gods tegenwoordigheid, het rijk Gods in zijn ziel, bereikt en beleeft, beschrijft Joannes Evangelista deze ervaring aldus:

De ziel kent, smaakt en geniet een waarheid, schoonheid, goedheid en vreugde, die edeler en volmaakter zijn dan alles tezamen wat zij ooit gekend, geproefd of ervaren heeft. Toch zou zij niet goed kunnen verwoorden, hoe of wat haar object is of hoe zij dit present heeft. Zij heeft alleen de zekerheid dat het de Oorsprong is van alle geschapen wijsheid, schoonheid, goedheid en volmaaktheid. En er ligt nog oneindig meer in besloten dan wat door God geschapen is.
De ziel heeft God niet tegenwoordig door middel van een voorstelling of toekeer, en ook niet door aanraking, smaak of gevoelen. Anderzijds heeft zij Hem present door dit alles en nog veel meer. Zij is immers naar al haar mogelijkheden en ontvankelijkheid op de meest innige wijze met Hem verbonden en verenigd. Hoewel zij niet duidelijk kan waarnemen dat God haar object is, heeft zij innerlijk daarvan toch een onuitsprekelijk getuigenis, dat haar veel meer zekerheid biedt dan zij door (283) haar zintuigen of vermogens, door boeken of leraars zou kunnen verkrijgen.
En zij ervaart in zichzelf, dat alle gebeden en lofzangen van de H. Kerk toekomen aan dit verborgen Wezen, dat zij inwendig tegenwoordig heeft. Ook ervaart zij in zichzelf zulk een eerbied tot dit verborgen Wezen, dat het is of zij zich voor de troon van God bevindt. En het is haar niet geoorloofd innerlijk of uiterlijk ook maar iets te doen, wat zij niet zou durven doen ten overstaan van dit verborgen Wezen.
Deze eerbied en deze gevoelens brengt de ziel niet zelf voort, maar vloeien spontaan voort uit dat Wezen, dat in haar verborgen aanwezig is.
De godgenietende ziel wordt hier door God volkomen verzadigd en bevredigd in al haar verlangens. En zij bekommert zich er niet meer om, wat zij doen zal om God te behagen. Immers zij weet dat zij van haar kant niet meer geven of doen kan dan wat zij al gegeven en gedaan heeft, en dat God van haar ook niet meer eisen kan. Immers, zij heeft alles wat zij heeft, is en kan, volledig aan Hem opgedragen. En zij steunt en rust enkel op haar Niets. Zij weet dat zij, als zij dit Niets altijd en volledig bewaart, God volkomen voldoening schenkt. Daarom is dit haar enige zorg en oefening. En zij kan van God niets verlangen, noch Hem om enige zaak vragen, die in haar eigenbelang is. Maar al haar gebed bestaat hierin, dat zij nooit zal scheiden van haar Niets, dat zij nu verkregen heeft. Zij bidt, dat zij dit nog grondiger en stabieler verkrijgen zal, en dat Gods wil geschiede jegens haar en alle mensen in tijd en eeuwigheid. En zou zij anders bidden, dan zou dit beelden in haar teweegbrengen en zou zij uit haar Niets vallen. Dit schept in haar grote gerustheid en vrede. (8)

Ook trof en treft het mij, hoe het leven in vereniging met God door Joannes Evangelista wordt gezien als de eigenlijke en oorspronkelijke aard en natuur van de mens.
De mens heeft een ingeboren drang naar God, een 'minnelijcke cracht en neiginghe', die als een kompasnaald hem richt op God.

De opgave van de mens is alles los te laten wat die overgave in pure liefde aan God belemmert.
Dit is een radicaal louteringsproces. Het is het bereiken van de oorspronkelijke gerechtigheid, waartoe God de mens geschapen heeft.

Deze vereniging met God vindt plaats op het niveau van pure liefde en naakt geloof.
En God zelf is het, die deze pure liefde en dit naakte geloof in de mens wekt en tot voltooiing brengt.

Een geheel nieuwe, goddelijke belevingswereld gaat dan voor deze mens open. Joannes Evangelista beschrijft heel dit fijnzinnige innerlijke gebeuren, deze totale omslag van leven in de mens, op zeer genuanceerde, ordelijke, nuchtere, ja haast ontnuchterende wijze. Hij gaat te werk als een docent, die zelf vertrouwd is met en weet heeft van hetgeen hij bespreekt en beschrijft. Zijn met vele vergelijkingen en voorbeelden doorspekte en schoolse uiteenzettingen herinneren aan de praktische inslag en didactische methodieken van de Moderne Devotie. Ook Joannes Evangelista behandelt op een nuchtere, evenwichtige, typisch Nederlandse wijze heel het groeiproces van het geestelijke leven, tot in zijn hoogste mystieke fase toe.

Met vaste hand en zeer krachtig maakt hij zijn jonge medebroeders, maar ook eenvoudige en geleerde mensen in zijn omgeving, vertrouwd met zijn eigen levensgeheim: dat een contemplatieve, maar tevens intens arbeidende mens op alle tijden en plaatsen in liefde met God verenigd kan leven. Hij leert ons, hoe wij alle sectoren en facetten van ons menselijk leven op vergoddelijkte wijze kunnen beleven, zodat het - schrikt niet! - onmiddellijk grenst aan het eeuwige leven.

6. Enkele vragen tot slot.

Jullie mogen weten, dat ik in Brussel volop de gelegenheid krijg om het leven van de eerste kapucijnen te bestuderen. Bewust en onbewust draag ik daarvan negatieve beelden in mij mee, waardoor dit oorspronkelijke leven mij tegenstaat en zelfs afschrikt. Een huiver voor dit primitieve, harde en haast wereldvreemde bestaan. Wellicht herkennen jullie een dergelijke negatieve beeldvorming van ons oorspronkelijke kapucijnenleven?
Kunnen wij daar nog wat mee in onze tijd?
Zelf begin ik te vermoeden van wel. Is mijn beeldvorming van dat vroegere strenge en harde kapucijnenleven niet eenzijdig en oppervlakkig en eigenlijk in ernstige mate onjuist?
Had en heb ik wel voldoende oog en hart voor de oorspronkelijke waarde en grootheid van deze reformatoren uit de 16e eeuw?
Zij wisten in hun tijd het hart te stelen en het vertrouwen te winnen van hoogstaande kerkhervormers als de H. Carolus Borromaeus en de Vaders van het Concilie van Trente, en van talloze gewone oprechte christenen.
Mag ik jullie ook een vraag stellen?
Zou dit wonder zich in onze dagen opnieuw kunnen voltrekken?
Een reformatie van onszelf en een reformatie van kerken en samenleving?
En kunnen die vurig biddende en eerlijk evangelisch levende broeders van toen ons daarbij op weg helpen?
Het antwoord is aan ons allen.

Noten

(1) Optat de Veghel, OFM Cap.,La réforme des frères mineurs capucins dans l'ordre franciscain et dans l'èglise, in: Collectanea Franciscana, jg.35 (1965), blz. 5-108; vooral blz 19.
(2) De Geschriften van Franciscus van Assisi, Haarlem (1982), blz 172-173.
(3) De Geschriften van Franciscus van Assisi, Haarlem blz 73.
(4) De Geschriften van Franciscus van Assisi, Haarlem blz 73, voetnoot 22.
(5) Optatus, o.f.m.cap., De spiritualiteit van de capucijnen in de Nederlanden gedurende de XVIIe en XVIIIe eeuw, Utrecht -Brussel ( 1948 ), blz. 82.
(6) Ottaviano Schmucki, OFM Cap., Preghiera e vita contemplativa nella legislazione e vita dei primi frati minori cappuccini, Roma (1989), blz.20.
(7) K.Porteman, Nederlandse mystici uit de 17e eeuw of de mystici van 'Den Niet', in: Ons Geestelijk Erf, Dl. XLVII (1973), blz. 386-407, vooral blz 385-387.
(8) Meer eigentijdse hertaling van: Het Rijck Godts inder zielen..., Leuven, (1639), hoofdstuk 21, blz. 282-284.

Pro manuscripto Dr. Jan Kampschreur, kapucijn

Brussel, 21 maart 2000

Het is ons streven om dit belangwekkende artikel in elke bestaande en nog nauwelijks bestaande taal af te drukken. Wie van u wil een vertaling op zich nemen?
Stuur een e-mail naar Jan Snijders OFM Cap., zodat wij uw onderneming reeds hier kunnen vermelden en daardoor verdubbeling uitsluiten.
This article is currently being translated into Chinese, German, Italian and Spanish