Ruben Darío: Het waarom van de wolf
Een gedicht van Ruben Darío
Dit gaat over de man met een hart als oven,
een ziel als een engel, een tong vol geest
de kleine Frans van Assisië, met hulp van boven-
en een ruw en grimmig beest,
een dier dat angst aanjaagt, dat leeft op roof en bloed,
de bek en ogen vol woede,
de wolf van Gubbio, die ieder vrezen doet.
Hij heeft de omgeving geteisterd,
wreed de kudden afgeslacht
lammeren en mensen verbijsterd
en verslonden: in schade en dood lag zijn kracht.
Sterke jagers met ijzeren wapens in handen,
werden door hem bang gemaakt.
De beste honden voelden zijn harde tanden,
geiten, schapen en mensen werden door hem geraakt.
Dus ging Frans op tocht
waarbij hij naar de wolf zocht
in zijn eigen wolvenhol.
Bij zijn grot vond hij het beest, bijna dol,
die zich op Frans wierp, groot en woest.
Maar Frans zei zacht: "Kom nu maar, koest!"
Hij hief zijn hand in stille bede
en sprak tot de woedende wolf: "Broeder! Vrede!"
De blik van het wilde dier gleed
langs de man in het arme en ruige kleed;
hij legde zijn harde buitenkant af, in een soort trance
sloot zijn agressief opengesperde muil
en zei: "Goed, broeder Frans!"
"Wat is dat toch", zei Frans, "Waar staat geschreven
dat jij van angst en dood moet leven?
De verwondingen en de dood,
het bloed dat jouw wrede muil vergoot,
de droefheid, het leed en de pijn
van de boeren, die door jou veroorzaakt zijn,
de angst van die schepselen, -zij vertrouwen op God, -
schept jouw bittere agressie daarin genot?
Of hebben jou eeuwige wrok ingegoten
de helse Lucifer met zijn duivelse poten?"
De grote wolf zei nederig: "De winter is hard
en de honger knagend. De kou heeft het bos verstard
en er is geen eten te vinden. Ik zocht dus het vee
en ja, soms at ik met het schaap een herder op, misschien.
Maar bloed? Ik heb meer dan één jager gezien
gezeten op zijn paard, de valk op een handschoen aan de lijn
op jacht naar wild of een everzwijn
of naar beren of herten. Ik zag bloed aan hun handen
en hoorde de heldere trompetten verworden tot droef klagen
als zijn de dieren martelden en wondden.
Nee, het was niet uit honger dat zij gingen jagen.."
Ruben Darío: Het waarom van de wolf, deel 2Een gedicht van Ruben Darío, deel 2
Frans antwoordde: "In mensenbotten schuilt helaas ook merg
dat slecht is en gemeen. Het is erg.
Maar de eenvoudige ziel van een dier is puur."
"Kom, je zult vanaf nu kunnen eten
en van geen honger meer weten.
Je zult met rust gelaten worden en jij spaart
op jouw beurt de mensen en kudden in dit land
en God zal je natuur edel maken en zoet als honing je aard."
"Goed, broeder Frans, ik sluit me bij je aan."
"Als teken van je belofte voor de Heer,
die bindt en ontbindt, geef me je poot en zweer!"
Aan zijn broeder uit Assisië gaf de wolf zijn poot
die op zijn beurt hem zijn hand aanbood.
Ze keerden terug omhoog naar het dorp. De mensen zagen van boven
hen komen en konden het nauwelijks geloven.
Achter de heilige liep het wilde beest,
kop omlaag, rustig in zijn spoor en tam
als een lief dier, als een jong en aardig lam.
Frans riep de mensen midden naar het plein
en sprak hen toe als hun hoeder.
Hij zei: "Deze vriendelijke jager hier aan mijn zij
is met me meegekomen, de wolf, hij is mijn broeder.
Zijn aanvallen en jullie angsten zijn voorgoed voorbij.
Jullie van jullie kant: geef hem te eten,
geef dit schepsel van God zijn voedsel". "Amen, ja!!",
riep het volk Frans toen na.
En zo te zien, overtuigd en met vaart
om zijn instemming te tonen
bewoog het grote dier zijn kop en zijn staart.
Hij ging met Frans mee naar het klooster om er te wonen.
Ruben Darío: Het waarom van de wolf, deel 3
De wolf verbleef daar als een tamme hond,
in die plaats waar hij vrede en voedsel vond.
Zijn ruige oren hoorden de psalmen en de vervoering,
zijn scherpe ogen werden wazig van ontroering.
Hij leerde duizend dankgeden en speelde wat
als hij in de keuken met de broeders at.
En bij Frans likte hij, bij diens bidden en boeten,
dankbaar sandalen en heilige voeten.
Hij ging in en uit, naar beneden in het dal
door de bergen, op straat en overal,
kwam bij de huizen, en de mensen gaven hem te eten
als aan een huisdier, een hond, de dreiging was vergeten.
Frans ging een tijdlang weg. En de wolf, zo zacht,
de tamme, goede wolf, zonder zijn fiere kracht
verdween opeens naar de bergen. Zijn agressiviteit
en gehuil begonnen weer, terug was zijn woestheid.
Weer waren er angst en alarm en geur van bloed
onder de dorpelingen, de herders, bij iedereen,
en in de streek leefde de vrees juist als voorheen.
Niets hielp, geen wapens en geen moed,
want het beest ging als een beest te keer.
Zijn woede bekoelde niet, het was alsof hij kookte
en Moloch en Satan zijn vuur en woede opstookten.
Toen de heilige terugkwam naar het dorp
kwamen ze met hun klachten en angsten op hem af.
Met duizenden beschuldigingen vertelden ze fel
wat ze leden, hoe ze angst hadden voor het graf,
door die ellendige wolf, dat broedsel van duivel en hel.
Frans, het verdriet op zijn gezicht gedragen,
ging naar de bergen, naar de schuilplek
van de wolf, om de slachter om uitleg te vragen.
Hij vond het ondier, bijna gek,
en zei: "In de naam van de Vader, in de hemel en hier:
ik bezweer je, pervers woest dier,
Waarom ben je teruggekeerd tot kwaad en duister?
Antwoord me duidelijk. Ik luister."
Als in een innerlijke strijd gewikkeld sprak het dier
met schuim op de bek, met dodelijke blik:
"Broeder Frans, niet te dichtbij.. ik ...
ik was daar rustig in het klooster gezeten
en leefde daar in vrede, met voldoende te eten.
Maar ik begon te zien in huizen en hoven
Afgunst, Agressie, Toorn en Kwaad
ze gloeiden in alle gezichten als een open oven.
Ze straalden wellust, laster, leugen en haat.
Broers waren vechtend elkaars tegenstander
zwakken verloren, bozen wonnen, het koren verloor van 't kaf
en op een dag rammelden ze ook mij volledig af.
Ze zagen dat ik nederig was. Ik likte
hun handen en voeten. Wat er ook gebeurde, ik schikte
me erin: alle schepselen waren mijn broeders.
Mijn broers de mensen, mijn broers de ossen,
mijn zusters de sterren, de dieren, de vossen.
Maar mij sloegen ze, en ze wierpen me buiten
Hun gelach overspoelde mij, niet te stuiten
ik voelde me weer wolf, slecht, maar echt
en beter dan al die mensen daar.
Ik begin weer mijn oude leven, het dagelijkse gevecht
om voedsel en veiligheid, ik wil alleen maar iets eten
zoals een beer dat doet, zoals het wilde zwijn
die alleen zullen doden om te eten.
Laat mij maar hier in de bergen, op mijn terrein
laat mij mij in mijn vrijheid zijn.
Ga jij naar jouw klooster, Frans, daar kun jij gelukkig zijn,
Ieder op zijn eigen weg en eigen heiligheid."
De heilige van Assisië, zonder mensenwoorden
keek hem aan alsof zij beiden een verre stem hoorden.
Zij namen afscheid, hij met tranen, verdriet en vol spijt,
en hij sprak in zijn hart met God de Eeuwige, als zijn kind.
Zijn gebed werd gedragen in de bergen, in het bos, op een zachte wind
de woorden: "Onze Vader, die in de hemel zijt..."
Klik op een maand om naar de desbetreffende meditaties te gaan, voor zover aanwezig.
| 2003 | apr | mei | jun | jul | aug | sep | okt | nov | dec | |||
| 2004 | jan | feb | mrt | apr | mei | jun | jul | aug | sep | okt | nov | dec |
| 2005 | jan | feb | mrt | apr | mei | jun | jul | aug | sep | okt | nov | dec |
| 2006 | jan | feb | mrt | apr | mei | jun | jul | aug | sep | okt | nov | dec |
| 2007 | jan | feb | mrt | apr | mei | jun | jul | aug | sep | okt | nov | dec |
| 2008 | jan | feb | mrt | apr | mei | jun | jul | aug | sep | okt | nov | dec |
| 2009 | jan | feb | mrt | apr | mei | jun | jul | aug | sep | okt | nov | dec |