De geschiedenis van de kapucijnen

Hoe het begon (1525-1619)

In de tijd van de grote veranderingen in Europa, na de ontdekking van Amerika, de Duitse opstanden en terwijl Luther zich opmaakte voor zijn strijd om echtheid, was het ontstaan van de kapucijnen in Italië slechts een van de vele gebeurtenissen.

Matteo van Bascio was priester en predikant binnen de franciscaanse Observanten-Orde. De streek waar hij woonde heette ( en heet nog) De Marken van Ancona. Hij was een man die alles extreem en zonder compromissen wilde beleven. Hij wilde de Regel van Franciscus in praktijk brengen volgens de meest preciese uitleg. In januari 1525 sloop hij, Matteo van Bascio eenvoudige franciscaner-broeder, midden in de nacht uit zijn convent. Hij vertrok in stilte en hij ging naar de paus in Rome. Daar vroeg hij aan paus Clemens VII (1523-1534) of hij officieel streng mocht gaan leven. Bij zijn visioen behoorde het dragen van de oorspronkelijke pij van Franciscus, met een puntige muts zoals hij die Franciscus in een droom zelf had zien dragen. Matteo stond onder de machtige bescherming van een nicht van de paus. Haar naam was Caterina Cibo, hertogin van Camerino.

In het stadje Jesi werd een Proviciale Vergadering gehouden. De Provinciale Overste, Giovanni van Fano, sloot Matteo op in het klooster van Fano. Maar de Hertogin van Camerino kreeg hem vrij. Cibo Toen was de weg vrij, voor hem en voor anderen! De broers Ludovico en Raffaele van Fossombrone vroegen of ze hem mochten volgen naar de eenzame kluizenarij waar Matteo zich had gevestigd. Het antwoord was nee. Ook deze broers vluchtten uit hun klooster. Ze vonden onderdak bij de Conventuelen in het dorp Cingoli. Toen kwam er een vierde man bij: Paolo van Chioggia. Zij vroegen de bescherming van dezelfde Hertogin Cibo, en begonnen in hun geboortestad Fossombrone een nieuw leven, onder verantwoordelijkheid van de Minderbroeders Conventuelen.

Op 3 juli 1528 gaf paus Clemens VII hun zijn officiële brief "Religionis zelus". Hij stond hen toe de Regel van Franciscus uit begin 1220 zo precies mogelijk uit te leggen en te onderhouden: 'observantie' heet dat. Ze mochten in kluizenarijen wonen, een ruige baard laten staan, een zuinig habijt dragen met een puntige kap; ze mochten preken en nieuwe leden aannemen.
Ludovico van Fossombrone was het 'gezinshoofd'. In 1529 schreven ze nieuwe regels, die de naam kreeg: de Constitutie van Albacina. Monnik Het was een sobere en strenge wetgeving: twee uur meditatie per dag; het kerkelijk gebed 's nachts; boete en vasten, karig eten, bedelen voor het voedsel en voor alles wat ze nodig hadden; niet meer dan één pij; voor de zieken en ouderen als extra'tje een kort manteltje; geen beschermheren; kloosters werden nooit eigendom, deze bleven van de gevers; ook de kerken moesten karig zijn; de predikanten mochten geen beloning aannemen; weinig boeken. Toen de eerste broeders in Camerino gingen preken in 1534, werden ze "Scapuccini" genoemd. Wat geuzennaam was, werd de officiële naam: de MinderBroeders kapucijnen.

In 1537 werd het Matteo van Bascio te veel: hij ging terug naar zijn oude stek, de Observanten. Hij stierf daar in 1552.

De Observanten, waaruit de broeders waren vertrokken, legden zich niet neer bij het bestaan van de nieuwe broederschap. De algemene Overste Paolo Pisotti was fel. De Spaanse kardinaal Quiñ wilde als bestuurder de nieuwe hervormers teruglokken en hen officieel onderdeel maken van Orde van de Observanten. Hij had iets dergelijks in Spanje gedaan met de Spaanse kluizenaars. Maar in Italië ging het hard tegen hard. Ludovico van Fossombrone, hield vast aan "Religionis zelus". Het woord van de paus maakte hem sterk. De paus beval toen dat de Observanten de nieuwe kapucijnen niet meer lastig mochten vallen. De kapucijnen mochten geen spijtoptanten uit de Observanten opnemen als lid.

De nieuwe franciscaanse tak werd geleid door in die tijd zeer beroemde mannen; Bernardino van Asti, Francesco van Jesi, een wetgeleerde, en Bernardino Ochino, die een beroemd predikant was.

De eerste jaren waren woelig. In 1535 werd Bernardino van Asti Algemeen Overste. Een van de eerste broeders liep weg, net als Matteo van Basci, de strenge. Steeds werden er pogingen gedaan om de nieuwe broederschap terug te brengen bij de grote groep, de Orde van de Minderbroeders. De leiders maakten zich daar sterk voor, vooral de Algemene Overste Lunello in 1542. Maar de beide grote persoonlijkheden Bernardino van Asti en Bernardino Ochino weigerden. Voor de broederschap was het de zoveelste zwarte dag toen Bernardino Ochino zich in 1542 openlijk buiten de orde en de kerk stelde. De derde grote persoonlijkheid, Francesco van Jesi was haar redding toen hij Algemeen Overste werd in 1543.

Toen was het begin gemaakt. De strengheid werd hun aantrekkingskracht. In 1608 verklaarde paus Paulus V officieel dat de kapucijnen tot de MinderBroeders hoorden en echte volgelingen van Franciscus waren. Op 23 januari 1619 verleende de paus autonomie aan de Orde van de MinderBroeders kapucijnen; hij bevestigde hun onafhankelijkheid van de gehoorzaamheid en de jurisdictie van de MinderBroeders Conventuelen. Het document waarin deze stichtingsacte werd beschreven heet "Alias felicis recordationis".

.. en later, tot nu toe

De eerste eeuw van haar bestaan speelde zich af in de heftige jaren van de Nieuwe Tijd, de Reformatie, de Contra-Reformatie, de ontdekkingsreizen, en vooral ook het nieuwe grote probleem van de armoede in de grote steden. Vanaf het begin hebben de kapucijnen zich aan hun kant geschaard. Er kwamen er veel heiligen uit de MinderBroeders kapucijnen voort. De meesten zijn alleen zeer plaatselijk bekend. Anderen zijn iets bekender. Echt tot onze verbeelding sprekende figuren zijn er niet meer bij. In vroeger jaren werden wel personen als Felix van Cantalicië (gestorven in 1587), of Laurentius van Brindisi, (kerkleraar, 1619) genoemd, of Fidelis van Sigmaringen (1622), die martelaar is geworden. Wie zich verdiept in hun leven wordt altijd geboeid door de totaalheid en consequente manier van streng leven. Maar de tijden zijn wel erg veranderd.

Deze simpele en volkse prediking van het evangelie kwam op het juiste moment in de geschiedenis. Het werd geweldig enthousiast ontvangen.
Met hun prediking brachten de kapucijnen altijd volkse devoties en sociale activiteiten. Ze waren de oprichters, door de geschiedenis heen, van vele uitdeelpunten van brood en kleren, van medicijnen en gebed, van boeken en stille hulp.
Voor de kerk -er was in de begintijd geen sprake van een verdeelde kerk -kwam deze beweging goed uit om effectief een wapen te hebben tegen de protesterende bewegingen die later de protestanten zouden worden.
Vanuit vele landen zijn er duizenden mannen uit land en cultuur getrokken om het evangelie in de missies te brengen, zoals op de dag van vandaag nog gebeurt.
De kapucijnen-broeders hebben hard en sober, streng en dichtbij de mensen geleefd, ze waren beschermers van zondaren en brachten God dichterbij de mensen, juist omdat ze zo leefden dat ze niets te verliezen hadden, net als veel andere mensen.
Ondanks alle activiteiten vergaten ze nooit de contemplatie, de gestrengheid en hun ruige voorkomen. Pas in de laatste jaren zijn de kapucijnen een bijgeschoren baardje gaan dragen. Hier en daar vind je nog zo'n ruige vooroorlogse baard.
Ook hun manier van leven is veranderd. De armoede, de sexualiteit, het gezag, de trouw, al die dingen hebben een ander inhoud gekregen, in vergelijking met toen.

Ze hebben altijd vrienden en vijanden gehad, maar zijn bleven altijd trouw aan hun opvatting van armoede die met zich meebracht: staan aan de kant van armen.
In Nederland bestond er na de oorlog een weekblad dat dan ook "Volksweekblad" heette. De bruine paters, de volkse paters, de blote-poten-paters, werden ze genoemd.
Ook al lijkt die tijd ver weg, de geest waait nog!


of naar de homepage