Het gebeurde in Italië. Matteo van Bascio was priester en predikant
binnen de franciscaanse Observanten-Orde. De streek waar hij woonde was de Marken van Ancona.
Hij was een man die alles extreem en zonder compromissen wilde beleven. Hij wilde de Regel van Franciscus
in praktijk brengen volgens de meest preciese uitleg. Men noemde dat: de strikte observantie.
Hij kreeg geen gelegenheid voor zijn innerlijke onrust binnen zijn gemeenschap. Toen kreeg hij
een visioen van Franciscus. De meester zelf toonde hem hoe zijn oorspronkelijke habijt er uitzag.
In januari 1525 sloop hij, eenvoudige franciscaner-broeder, midden in de nacht uit zijn convent
in het stadje Montefalcone.
Hij ging naar paus Clemens in Rome. Daar vroeg hij de paus, Clemens VII (1523-1534),
of hij officieel streng mocht gaan leven. Hij wilde een habijt gaan dragen zoals Franciscus hem getoond had
in zijn droom: een armoedig habijt met een puntige muts. Matteo stond onder de machtige bescherming
van een nicht van de paus. Haar naam was Caterina Cibo, hertogin van Camerino.
In het stadje Jesi werd een Proviciale Vergadering gehouden. De Provinciale Overste, Giovanni van Fano, sloot Matteo op in het klooster van Fano. Maar de Hertogin van Camerino kreeg hem vrij. Toen was de weg vrij, voor hem en voor anderen! De broers Ludovico en Raffaele van Fossombrone vroegen of ze hem mochten volgen naar de eenzame kluizenarij waar Matteo zich had gevestigd. Het antwoord was nee. Ook deze broers vluchtten uit hun klooster. Ze vonden onderdak bij de Conventuelen in het dorp Cingoli. Er kwam een vierde man bij: Paolo van Chioggia . Zij vroegen de bescherming van dezelfde Hertogin Cibo, en begonnen in hun geboortestad Fossombrone een nieuw leven, onder verantwoordelijkheid van de Minderbroeders Conventuelen.
Officieel met Religionis ZelusOp 3 juli 1528 gaf paus Clemens VII hun zijn officiële brief, de bulle "Religionis zelus".
Hij stond hen toe de Regel van Franciscus uit 1220 zo precies mogelijk uit te leggen en te onderhouden
(dit heet 'strikte observantie' ). Ze mochten in kluizenarijen wonen, een ruige baard laten staan,
een zuinig habijt dragen met een puntige kap; ze mochten preken en nieuwe leden aannemen.
Ludovico van Fossombrone was het 'gezinshoofd'. In 1529 schreven ze nieuwe regels,
die de naam kreeg: de Constitutie van Albacina.
Het was een sobere en strenge wetgeving: twee uur meditatie per dag; het kerkelijk gebed ook 's nachts; boete en vasten, karig eten, bedelen voor het voedsel en voor alles wat ze nodig hadden; niet meer dan één pij; voor zieken en ouderen als extra'tje een kort manteltje; geen beschermheren; hun kloosters die buiten de steden moesten staan - werden nooit eigendom, maar bleven in het bezit de gevers; de kerken moesten karig zijn; de predikanten mochten geen beloning aannemen en moesten van de ene [plaats naa dde andere trekken; ze mochten weinig boeken bezitten. Toen de eerste broeders in Camerino gingen preken in 1534, werden ze "Scapuccini" genoemd.
Wat geuzennaam was, werd de officiële naam: de minderbroeders kapucijnen, cappuccini.
In 1537 kon Matteo van Bascio het strenge leven niet meer volhouden: hij ging terug naar zijn oude plaats bij de Observanten. Hij stierf daar in 1552.
De Observantenorde, waaruit de broeders waren vertrokken, legden zich niet neer bij het bestaan van de nieuwe broederschap. De algemene Overste Paolo Pisotti was fel. De Spaanse kardinaal Quiñones wilde als bestuurder de nieuwe hervormers teruglokken en hen officieel onderdeel maken van Orde van de Observanten. Hij had dat in Spanje gedaan met de Spaanse kluizenaars. Maar in Italië ging het hard tegen hard. Ludovico van Fossombrone hield vast aan "Religionis zelus", waarin de toestemming van de paus stond. De paus beval toen dat de Observanten de nieuwe cappuccini, de kapmannen of kapucijnen niet meer lastig mochten vallen. De kapucijnen mochten evenwel geen spijtoptanten uit de Observanten opnemen als lid.
Een woelig beginDe nieuwe franciskaanse tak werd geleid door in die tijd zeer beroemde mannen; Bernardino van Asti, Francesco van Jesi, een wetgeleerde, en Bernardino Ochino, die een beroemd predikant was.
De eerste jaren waren woelig. In 1535 werd Bernardino van Asti Algemeen Overste.
Weer liep een van de eerste broeders weg, net als Matteo van Basci, de strenge, had gedaan.
Steeds werden er pogingen gedaan om de nieuwe broederschap terug te brengen bij de grote groep,
de Observanten. De oversten van de observanten maakten zich daar sterk voor,
vooral de Algemene Overste Lunello in 1542.
Maar de beide grote persoonlijkheden Bernardino van Asti en Bernardino Ochino weigerden.
Voor de broederschap was het de zoveelste zwarte dag toen Bernardino Ochino zich in 1542
openlijk buiten de orde en de kerk stelde. De derde grote persoonlijkheid,
Francesco van Jesi was haar redding toen hij Algemeen Overste werd in 1543.
Toen was het begin gemaakt. De strengheid werd hun aantrekkingskracht. In 1608 verklaarde paus Paulus V officieel dat de Kapucijnen tot de MinderBroeders hoorden en echte volgelingen van Franciscus waren. Op 23 januari 1619 verleende de paus autonomie aan de Orde van de Minderbroeders Kapucijnen; hij maakte hen onafhankelijk van de gehoorzaamheid en de jurisdictie van de Conventuelen. Het document waarin deze stichtingsacte werd beschreven heet "Alias felicis recordationis".
.. en later, tot nu toeIn de eerste eeuw van zijn bestaan, in de heftige jaren van de Nieuwe Tijd, de Reformatie, de Contra-Reformatie, de ontdekkingsreizen, kwamen er veel heiligen uit de MinderBroeders Kapucijnen voort. De meesten zijn alleen zeer plaatselijk bekend. Anderen zijn iets bekender. Echt tot onze verbeelding sprekende figuren zijn er niet meer bij. In vroeger jaren werden wel personen als Felix van Cantalicië (gest. in 1587), of Laurentius van Brindisi, (kerkleraar, 1619) genoemd, of Fidelis van Sigmaringen (1622), de Zwitser die martelaar is geworden. Wie zich verdiept in hun leven wordt evenwel geboeid door de totaalheid en consequente manier van leven.
Deze simpele en volkse prediking van het evangelie kwam op het juiste moment in de geschiedenis.
Het werd geweldig enthousiast ontvangen. Met hun prediking brachten de kapucijnen altijd
volkse devoties en sociale activiteiten. Ze waren de oprichters, door de geschiedenis heen,
van vele uitdeelpunten van brood en kleren, van medicijnen en gebed, van boeken en stille hulp.
Voor de kerk -er was in de begintijd geen sprake van een verdeelde kerk -kwam deze beweging goed
uit om effectief een wapen te hebben tegen de protesterende bewegingen die later de protestanten
zouden worden.
Vanuit vele landen zijn er duizenden mannen uit land en cultuur getrokken om het evangelie
in de missies te brengen, zoals op de dag van vandaag nog gebeurt.
De Kapucijnen-broeders hebben hard en sober, streng en dichtbij de mensen geleefd,
ze waren beschermers van zondaren en brachten God dichterbij de mensen,
juist omdat ze zo leefden dat ze niets te verliezen hadden, net als veel andere mensen.
Ondanks alle activiteiten vergaten ze nooit de contemplatie, de gestrengheid en hun ruige voorkomen.
Pas in de laatste jaren zijn de kapucijnen een bijgeschoren baardje gaan dragen.
Hier en daar vind je nog zo'n ruige vooroorlogse baard.
Ook hun manier van leven is veranderd. De armoede, de seksualiteit, het gezag,
de trouw, al die dingen hebben een ander inhoud gekregen, in vergelijking met toen.
Ze hebben altijd vrienden en vijanden gehad, maar zijn bleven altijd trouw
aan hun opvatting van armoede die met zich meebracht: staan aan de kant van armen.
In Nederland bestond er na de oorlog een weekblad dat dan ook "Volksweekblad" heette.
De bruine paters, de volkse paters, de blote-poten-paters, werden ze genoemd.
Ook al lijkt die tijd ver weg, de geest waait nog!