De onrustige tijd rond 1500
Rond 1500 veranderde alles in Europa. Columbus ontdekte Amerika, de wereld werd ineens groter
toen de zeeweg naar India en China werd opengelegd. Op het vasteland waren er de
grote Duitse opstanden. Maarten Luther was een eenvoudige monnik die terug wilde naar de
echtheid van de bronnen van de Bijbel en de kerk.
In die woelige en enthousiaste tijd ontstonden de kapucijnen in Italië.
Matteo van Bascio
Matteo van Bascio
was priester en predikant binnen de Franciscaanse Observanten-Orde. De Italiaanse streek
waar hij woonde heet de Marken van Ancona. Hij was een krachtige man die
in zijn leven alles extreem en zonder compromissen ter hand nam. Hij wilde de Regel van Franciscus
van Assisië in praktijk brengen volgens de meest preciese uitleg. In januari 1525 sloop hij,
eenvoudige
franciscaner-broeder, midden in de nacht uit zijn convent.
Hij had een helder visioen gehad; hij zag daarin Franciscus in zijn oorspronkelijke kleding,
met een puntige muts en een eenvoudig bruin habijt.
Hij vertrok in alle stilte midden in de nacht en hij ging naar de paus in Rome.
Daar vroeg hij aan paus Clemens VII (1523-1534)
of hij officieel streng mocht gaan leven.
Matteo stond onder de machtige bescherming van een nicht van de paus.
Haar naam was Caterina Cibo, hertogin van Camerino.
De eerste reacties
De achtergebleven franciscanen voelden zich aangevallen door zijn vlucht.
In het stadje Jesi werd een Vergadering van de franciscanen uit die streek gehouden.
De overste, Giovanni van Fano,
sloot Matteo op in het klooster van Fano. Maar de Hertogin van Camerino kreeg hem vrij.
Toen was de weg vrij, voor hem en voor anderen, om de strenge levenswijze te beleven.
De broers Ludovico en Raffaele van Fossombrone vroegen
hem of ze hem mochten volgen naar de eenzame kluizenarij waar Matteo zich had gevestigd.
Zijn antwoord was nee. Deze twee broers gingen toen hun eigen weg. Zij vluchtten uit hun klooster
juist zoals Matteo dat had gedaan. Ze vonden onderdak bij de Conventuelen in het dorp Cingoli.
Daar kwam er een vierde man bij: Paolo van Chioggia.
Zij vroegen Hertogin Cibo om haar machtige bescherming en begonnen in hun geboortestad
Fossombrone een nieuw leven, onder verantwoordelijkheid van de Minderbroeders Conventuelen.
Officiële toestemming
Op 3 juli 1528 gaf paus Clemens VII hun zijn officiële brief "Religionis zelus".
Hij stond hen toe de Regel van Franciscus van 1220 zo precies mogelijk uit te leggen
en te onderhouden (dit heet 'observantie'). Ze mochten in kluizenarijen wonen,
een ruige baard laten staan, een zuinig habijt dragen met een puntige kap;
ze mochten preken en nieuwe leden aannemen.
Ludovico van Fossombrone was het 'gezinshoofd'. In 1529 schreven ze een nieuwe leefregel
die de naam kreeg: de Constitutie van Albacina.
Het was een sobere en strenge wetgeving: twee uur meditatie per dag;
het kerkelijk gebed 's nachts; boete en vasten, karig eten,
bedelen voor het voedsel en voor alles wat ze nodig hadden;
niet meer dan één pij; voor de zieken en ouderen als extraatje een kort manteltje;
geen beschermheren; de kloosters werden nooit eigendom, deze bleven eigendom van de gevers;
ook de kerken moesten karig zijn; de predikanten mochten geen beloning aannemen;
ze mochten weinig boeken bezitten. Toen de eerste broeders in Camerino gingen preken in 1534,
werden ze "Scapuccini" genoemd. Wat eerst een geuzennaam was, werd de officiële naam:
de MinderBroeders Kapucijnen.
In 1537 werd het Matteo van Bascio te veel: hij ging terug naar zijn oude stek, de Observanten. Hij stierf daar in 1552.
Meer moeilijkheden
De Observanten, waaruit de broeders waren vertrokken, legden zich niet neer bij het bestaan van de nieuwe broederschap. De algemene Overste Paolo Pisotti was fel. De Spaanse kardinaal Quiñones wilde als bestuurder de nieuwe hervormers teruglokken en hen officieel onderdeel maken van Orde van de Observanten. Hij had iets dergelijks in Spanje gedaan met de Spaanse kluizenaars. Maar in Italië ging het hard tegen hard. Ludovico van Fossombrone, hield vast aan "Religionis zelus". Het woord van de paus maakte hem sterk. De paus beval toen dat de Observanten de nieuwe Kapucijnen niet meer lastig mochten vallen. De Kapucijnen mochten geen spijtoptanten uit de Observanten opnemen als lid.
De nieuwe Franciskaanse tak werd geleid door in die tijd zeer beroemde mannen; Bernardino van Asti, Francesco van Jesi, een wetgeleerde, en Bernardino Ochino, die een beroemd predikant was.
Woelige jaren
De eerste jaren waren woelig. In 1535 werd Bernardino van Asti Algemeen
Overste. Een van de eerste broeders liep weg, net als de srenge Matteo van Basci.
Steeds werden er pogingen gedaan om de nieuwe broederschap terug te brengen bij de grote groep,
de Orde van de Minderbroeders. De leiders maakten zich daar sterk voor,
vooral de Algemene Overste Lunello in 1542.
Maar de beide grote persoonlijkheden Bernardino van Asti en Bernardino Ochino weigerden.
Voor de broederschap was het de zoveelste zwarte dag toen Bernardino Ochino zich
in 1542 openlijk buiten de orde en de kerk stelde.
De derde grote persoonlijkheid, Francesco van Jesi was haar redding
toen hij Algemeen Overste werd in 1543.
Gestrengheid was de aantrekkingskracht
Het begin was gemaakt. De gestrengheid en soberheid werd hun aantrekkingskracht. In 1608 verklaarde paus Paulus V officieel dat de Kapucijnen tot de MinderBroeders hoorden en echte volgelingen van Franciscus waren. Op 23 januari 1619 verleende de paus autonomie aan de Orde van de MinderBroeders Kapucijnen; hij bevestigde hun onafhankelijkheid van de gehoorzaamheid en de jurisdictie van de MinderBroeders Conventuelen. Het document waarin deze stichtingsacte werd beschreven heet "Alias felicis recordationis".
Heftige jaren
De eerste eeuw van haar bestaan speelde zich af in de heftige jaren van de Nieuwe Tijd, de Reformatie, de Contra-Reformatie, de ontdekkingsreizen, en vooral ook het nieuwe grote probleem van de armoede in de grote steden. Vanaf het begin hebben de Kapucijnen zich aan hun kant geschaard. Er kwamen er veel heiligen uit de MinderBroeders Kapucijnen voort. De meesten zijn alleen zeer plaatselijk bekend. Anderen zijn iets bekender. Echt tot onze verbeelding sprekende figuren zijn er niet meer bij. In vroeger jaren werden wel personen als Felix van Cantalicië (gestorven in 1587), of Laurentius van Brindisi, (kerkleraar, 1619) genoemd, of Fidelis van Sigmaringen (1622), die martelaar is geworden. Wie zich verdiept in hun leven wordt altijd geboeid door hun totale inzet en overgave en de consequente manier van streng leven. Maar de tijden zijn wel erg veranderd.
Streng en volks
De Kapucijnen-broeders hebben hard en sober, streng en dichtbij de mensen geleefd, ze waren beschermers van zondaren en brachten God dichterbij de mensen, juist omdat ze zo leefden dat ze niets te verliezen hadden, net als veel andere mensen.
Wie een uitgebreid verslag van de eerste spannende tijd wil lezen, kan terecht bij Jan W. Scheffers, De kapucijnen, een kennismaking met hun historie, Utrecht, 1979.